Overheid ligt
te weinig wakker van bedrijfsfraude

08 04 2010
(Dutch only) Open brief gepubliceerd in De Tijd (8 april 2010) en in de
IFA Newsletter 16 (23 maart 2010). Er is dringend nood aan een wettelijk kader waaraan
een privéonderzoek dient te beantwoorden, en waarbij ondernemingen verplicht worden de
overheid in te lichten over hun fraudeaanpak. Meer ...
.
Overheid ligt te weinig
wakker van bedrijfsfraude
In tijden van crisis scheert
fraude altijd hoge toppen, maar zelden ging het fenomeen zo vaak over de tong als nu. Het
lijkt dan vanzelfsprekend dat de publieke en private sector hun krachten in
fraudebestrijding zouden bundelen of minstens hun activiteiten op elkaar afstemmen. Toch
gebeurt dat zelden of nooit. Er is dringend nood aan een wettelijk kader waaraan een
privéonderzoek dient te beantwoorden, en waarbij ondernemingen verplicht worden de
overheid in te lichten over hun fraudeaanpak.
Steeds vaker worden openlijk
vragen gesteld bij de wijze waarop fraude in ons land wordt bestreden. Meestal wordt dan
met de vinger gewezen naar de overheid, die niet bij machte zou zijn om het fenomeen
grondig aan te pakken. Toch lijkt bij die overheid de jongste tijd wat te bewegen, in het
bijzonder op het terrein van de zogenaamde verticale fraude, de fraude tegen de publieke
middelen. Denken we maar aan de creatie van het staatssecretariaat voor de Coördinatie
van de Fraudebestrijding onder leiding van Carl Devlies (CD&V), het ontstaan van een
sociaal strafwetboek en de activiteiten van de parlementaire onderzoekscommissie naar de
fiscale fraude.
Meestal wordt de discussie
echter beperkt tot de vraag welke maatregelen de overheid kan nemen om met name verticale
fraude beter te bestrijden, en niet zelden gebeurt dat vanuit een begrotingsoogpunt.
Fraude berokkent evenwel niet alleen zware schade aan overheidsgeld en burgers, maar
evenzeer aan de private middelen van ondernemingen. Die vorm van fraude, ook wel
horizontale fraude genoemd, vormt een serieuze bedreiging voor de private sector en wordt
ten onrechte over het hoofd gezien. Bedrijven worden immers regelmatig geconfronteerd met
dergelijke fraudevormen. Een recente bevraging door PricewaterhouseCoopers (PwC) van een
representatief aantal bedrijven bracht bijvoorbeeld aan het licht dat liefst 13 procent
het afgelopen jaar slachtoffer werd van ‘omkooppraktijken’. Samen met het besef van dit
probleem groeit in de bedrijfswereld de wil om het te verhelpen, en dat liefst op een zo
pragmatisch mogelijke wijze, waarbij niet alleen reactief wordt geageerd, maar ook
gestreefd wordt naar een proactieve benadering.
Nieuwe
diensten
Als gevolg daarvan heeft de
afgelopen jaren een dubbele ontwikkeling plaatsgevonden. Enerzijds het ontstaan (dan wel
versterken) van ‘interne diensten die zich bezighouden met fraudebestrijding’, en
anderzijds het aanbieden van een ‘nieuwe zakelijke dienstverlening’. Hoewel in sommige
sectoren - in het bijzonder de financiële sector - gespecialiseerde onderzoeksafdelingen
(investigations) bestaan, zijn het in de praktijk vaak de interne auditafdelingen van
grote ondernemingen en daarnaast ook tal van andere functies in middelgrote bedrijven die
zich bezighouden met het voorkomen, detecteren en onderzoeken van allerhande
onregelmatigheden. Bij de externe dienstverleners werd de vraag omgezet in een voor
continentaal Europa nieuwe discipline, met name ‘forensic audit’, die zowel complementair
aan de bestaande interne diensten werkt als los daarvan - dit laatste bijvoorbeeld in
kleinere bedrijfsomgevingen.
Inmiddels hebben deze
gespecialiseerde private fraudeonderzoekers, ook wel forensische auditoren genoemd, in
een sfeer van vreedzame co-existentie een zelfstandige en aan het overheidsingrijpen
complementaire maatschappelijke positie verworven. Meer nog, de private forensische
dienstverlening heeft met succes het vacuüm opgevuld dat de overheid heeft achtergelaten
op het terrein van horizontale fraude. Dat mag niet verwonderen.
Opportuniteitsbeoordeling door het openbaar ministerie en capaciteit in kwantitatieve en
kwalitatieve zin zijn nu eenmaal belangrijke beperkingen van de strafrechtstoepassing,
die ertoe bijgedragen hebben dat voor bedrijfsgerelateerde fraudegevallen het strafrecht
de facto werd teruggedrongen in zijn oorspronkelijke rol van ‘ultimum
remedium’.
Toegevoegde
waarde
Dit kwalitatieve aanbod door
private forensische auditoren heeft een belangrijke toegevoegde waarde voor de
bedrijfsleiding die niet mag worden onderschat. Het doel van een private forensische
audit is immers drieledig : (1) het bekomen van waarheidsvinding en bewijsvoering
aangaande bestaande vermoedens van misbruik, fraude of corruptie; (2) het desgevallend
vrijpleiten van personeelsleden die ten onrechte werden verdacht op basis van ongegronde
verdachtmakingen en (3) het voorkomen dat gelijkaardige onregelmatigheden worden herhaald
of zelfs aangemoedigd door het uitblijven van een gericht feitelijk
onderzoek.
Hoewel het vanzelfsprekend
lijkt dat de publieke en private sector waar mogelijk hun krachten inzake
fraudebestrijding zouden bundelen of minstens hun activiteiten waar mogelijk (beter) op
elkaar zouden afstemmen, gebeurt dat zelden of nooit. Sterker nog: op één enkele
aanbeveling van de parlementaire onderzoekscommissie naar de fiscale fraude na vormt een
samenwerking of een (beleidsmatige) afstemming niet eens het voorwerp van
discussie.
Dat het anders en beter kan,
bewijzen de Angelsaksische landen, waar de publieke en private sector al geruime tijd
samenwerken en het zelfs standaardprocedure is geworden dat de overheid haar onderzoek
waar nodig en/of wenselijk voortbouwt op een eerder gevoerd privéonderzoek. Het volstaat
daarbij te verwijzen naar Canada, waar de Royal Canadian Mounted Police (RCMP) al geruime
tijd geleden bewust heeft gekozen voor een samenwerkingsmodel met de private sector om
complexere fraudevormen beter te kunnen bestrijden.
Ook onze noorderburen hebben
begrepen dat samenwerking tussen publieke en private partijen loont. Zo heeft de Raad van
Hoofdcommissarissen van de Nederlandse politie een samenwerkingsovereenkomst gesloten
met een privaat forensisch auditkantoor voor het bieden van ondersteuning op het terrein
van financieel-economische expertise.
Egelstelling
Het wordt dan ook tijd dat de
Belgische overheid de private sector in de armen sluit om fraude samen met respect voor
elkaars eigenheid beter te kunnen beheersen. Dat vereist echter dat de reglementering van
de private onderzoekssector, die momenteel wordt herschreven door de minister van
Binnenlandse Zaken, ingrijpend wordt herdacht. Ze moet vooral weggeraken uit de
egelstelling waarin fraudebestrijding als een overheidsmonopolie wordt beschouwd en elke
vorm van fraude binnen de bedrijfsmuren zo snel mogelijk aan het parket dient te worden
gemeld (‘Wet verplicht aangifte malversaties aan gerecht’, De Tijd, 8 december
2009).
Vanzelfsprekend zal dat
moeten gebeuren met respect voor het belang van zowel de maatschappij als van de
bedrijven. Voor de maatschappij betekent dat vooral dat er geen praktijk ontstaat waarbij
fraude onder de spreekwoordelijke mat wordt geschoven en dat de elementaire rechten van
elkeen worden gevrijwaard. Voor de ondernemingen betekent dat hoofdzakelijk dat ze de
mogelijkheid krijgen om op een pragmatische wijze en met zo weinig mogelijk risico op
bedrijfsschade hun eigen probleem in kaart te brengen en zo mogelijk zelf een -
vanzelfsprekend legale - oplossing uit te werken (bijvoorbeeld onder de vorm van het
afsluiten van een dadingsovereenkomst met de fraudeur, uiteraard zonder uitsluiting van
eventueel strafrechtelijke vervolging).
Beide belangen zouden perfect
met elkaar kunnen worden verzoend. Er moet een systeem met een wettelijk kader worden
uitgewerkt waaraan een privéonderzoek dient te beantwoorden. Ondernemingen moeten daarbij
ook worden verplicht de overheid kennis te geven van het gevolg dat ze aan de binnen hun
bedrijfsmuren ontdekte fraude hebben gegeven, veeleer dan van elk vermoeden van fraude
waarvan ze kennis nemen. Het zal dan aan het parket of een in de schoot daarvan op te
richten bijzonder (en liefst pragmatisch ingesteld) fraudemeldpunt zijn om te oordelen of
de door de bedrijfswereld getroffen regeling vanuit maatschappelijk belang afdoend is,
dan wel een verdere publieke strafrechtelijke aanpak vergt. In dat laatste geval zal het
parket onmiddellijk kunnen voortbouwen op het al gevoerde
privéonderzoek.
Of: hoe publiek-private
samenwerking ook in fraudebestrijding een succes zou kunnen zijn waar iedereen beter van
wordt, behalve de fraudeur.
.
Peter Leyman (Gedelegeerd bestuurder van
werkgeverskoepel VOKA)
Prof. Michel J. De Samblanx
(Universiteit Antwerpen Management School, en Facultés Universitaires Notre-Dame de la
Paix in Namen)
Prof. Michel Maus (Vrije Universiteit
Brussel)
Prof. Ignace De Beelde (Universiteit
Gent)
Prof. Paul Ponsaers (Universiteit
Gent)
|